Nils’ verhaal

Hallo,

Ik ben Nils. Ik werd op 10 januari 1992 geboren, als tweede zoon van mijn trotse ouders, Robert en Leona. Ik heb nog een oudere broer, Jorn.

Ik heb een zalige jeugd gehad! Samen met mijn broer kon ik spelen in de tuin, thuis te Nieuwmoer. Of ravotten op het plein, samen met onze vrienden van de voetbalploeg. Ruzie was er zelden. Ik heb een enorme vriendenkring opgebouwd en met broer Jorn vormde ik altijd een hecht team. We waren voor elkaar geboren, twee handen op één buik.

Op school liep het niet altijd van een leien dakje, maar ik zette me steeds enorm in, om toch een redelijk resultaat te behalen zodat ik mijn ouders niet moest teleurstellen. Op die manier worstelde ik me doorheen de lagere en de secundaire schooltijd. En wat was ik fier, toen ik afstudeerde aan het PITO te Stabroek. Ook papa en mama stonden te blinken van trots. Ik kon gaan werken, centjes verdienen, mijn diploma was binnen!

De avond van de proclamatie nam ik echter mijn papa in vertrouwen. Ik wou nog verder studeren, … had iets gevonden in een brochure van het Stedelijk Onderwijs te Antwerpen, waar ook mijn papa werkt. Ik kreeg de kans om een opleiding te volgen als animator-fitnessbegeleider. Een unieke opleiding met een stage van enkele maanden in Menorca. Wat een droom! Ik kon aan sport doen, ik trad op in enkele musicals, ik begeleidde kinderen en volwassenen bij leuke activiteiten, enz. Bovendien leerde ik veel toffe mensen kennen, Italianen, Spanjaarden, Engelsen, … Ik kreeg vrienden over de hele wereld. En toen de opleiding en stages voorbij waren, kreeg ik een aanbod van Melia-hotels, om te starten in Menorca. Ik ging in op het aanbod voor de ganse zomervakantie en een deel van de maand september. Via skype hield ik contact met het thuisfront. Vooral voor papa was dat nodig. Hij had het wel wat moeilijk met mijn vertrek naar het buitenland. We hadden dan ook altijd een zeer goede band met elkaar.

Papa was dan ook opgetogen toen ik vertelde dat ik terug kwam naar België om verder te studeren: leerkracht lichamelijke opvoeding. We wisten dat het zeer moeilijk zou worden, maar ik kreeg de kans van mijn ouders en zelf ging ik er voor de volle 100% voor.

In Menorca stond men ook achter mijn beslissing en mocht het alsnog fout lopen, dan mocht ik meteen terug bij hen starten als animator-begeleider. Geen risico’s dus!

Ik studeerde hard, uren aan een stuk, soms tot diep in de nacht. Die theorie was toch niet zo simpel! De praktijkvakken verliepen wel vlotjes. Ik behaalde goede punten op de sportvakken. Ik trainde dan ook alle dagen (zwemmen, lopen, fitness). Want ja, ik ben Nils en als ik iets wil bereiken dan ga ik er ook voor. Ik ben een vechter, een knokker. Ik geef niet zomaar op!

Ik voelde wel dat mijn lichaam stilletjes aan op geraakte. Ik was moe, erg moe. Regelmatig viel ik in slaap op de bus, middenin de dag. Eén keer maakte de chauffeur me wakker aan de eindhalte, … in Essen. Gelukkig kon mama me daar komen ophalen. Maar ik bleef gaan, ik wou mijn doel bereiken, ik wou mijn ouders niet teleurstellen en het diploma binnen halen. Als je een kans krijgt, dan moet je die nemen!

Tijdens mijn examen voor het behalen van het hoge reddersdiploma (erg zware proeven trouwens!) viel ik enkele keren flauw. Maar ook hier bleef ik gaan. Even een koekje eten wat suikers binnen doen … en dan gaat het wel weer. En ja hoor, ik behaalde het getuigschrift. Wat was ik fier.

Na de krokusvakantie kwamen dan de resultaten van de eerste theoretische examens binnen. Wat een teleurstelling! Een onvoldoende over de ganse lijn, ondanks mijn inspanningen, ondanks mijn nachtwerk. De praktijk was schitterend, maar daarmee alleen behaal je natuurlijk niet je diploma. Dat besefte ik ook.

Ik stapte met een klein hartje naar papa en mama. Ik wou stoppen met deze opleiding en terugkeren naar Menorca. Daar lag de job van mijn leven, dat kon ik aan, daar voelde ik me prima, daar wou ik mijn leven verder opbouwen.

Papa schrok in eerste instantie van mijn voorstel, maar zowel hij als mama, gingen mee in mijn verhaal. Dat de opleiding tot leerkracht lichamelijke opvoeding te zwaar was, dat was duidelijk genoeg. “Je moet je niet ziek maken”, zei papa nog, wel met tranen in de ogen. Hij zou me immers minder gaan zien, hij zou de knuffels, de grappen, de plagerijen, het goede humeur en de lieve lach van zijn jongste spruit enorm missen. Maar ik moest wel gelukkig worden en dat kon alleen maar door die droom te volgen, de droom in het verre Menorca. Wat was ik blij met deze reactie. Wat hield ik van mijn papa en mama. En natuurlijk zouden we contact houden, ik ging niet weg van de wereld hé.

Mama stelde wel een voorwaarde … ik moest eerst naar de dokter voor een bloedonderzoek. Ik was immers nog steeds erg moe. Mama was er niet gerust in, maar ze zei dit niet meteen, om de andere gezinsleden niet bang te maken. “Een vitaminekuur kan wonderen doen”, zei ze nog.

Ik had niet veel zin, maar ging uiteraard niet tegen mama haar vraag in. Ik trok dan ook naar onze huisarts. Het was dan donderdag 14 maart 2013. Na de prik en wat gebabbel met onze dokter over mijn verhuisplannen, nam ik de bus terug naar huis. Eerst nog een lekkere koffiekoek halen bij de bakker op de hoek … nooit gedacht dat dit mijn laatste koffiekoek ging zijn …

’s Avonds was er een mooie voetbalwedstrijd. Mama zat samen met mij en mijn broer Jorn voor de buis. Papa werkte aan de computer.

Omstreeks 23 uur sloot hij zijn PC af en ging hij naar bed. De dag nadien stond er een zware vergadering op het programma.

Lang duurde zijn nachtrust echter niet. Enkele minuten later rinkelde immers de telefoon. Mama vloog recht uit de zetel. Wie belde er nog zo laat? Papa kwam uit de slaapkamer gelopen. Wat was er? Was er iets met bomma of bompa (die zijn immers al bijna 90 jaar)?

Ikzelf en onze Jorn bleven eerst nog naar de spannende voetbalwedstrijd kijken. We merkten niet dat mama erg bedrukt stond te luisteren … Papa werd bijna gek van schrik. Er was iets, maar mama kon niet reageren … Na een kort gesprek legde ze de telefoon neer … De tranen in de ogen …

“Het is niet goed met onze Nils … de bloedwaarden zijn slecht … we moeten nu nog naar de dokter komen … en daarna moet Nils meteen naar het ziekenhuis … men denkt aan … leukemie … bloedkanker”. Het woord was eruit. Papa werd bijna gek, mama begon te handelen. Jorn wist het even niet, en ik … ik ging naar mijn kamer om wat kleren in te pakken. Kanker … Leukemie … wat betekende dat? Ging ik dood? Zou ik nooit meer naar Menorca kunnen gaan? Zou ik niet meer in deze fijne familie blijven? Zou ik mijn vrienden niet meer zien? Zou ik mijn kamertje nog terug zien? … Er flitste van alles door mijn hoofd!

Enkele minuten later zat het hele gezin in de auto, op weg naar de dokter. Ik keek nog een keer achter me … naar ons mooie huisje, naar het raam van mijn kamer … Was dit de laatste keer? Kon je nog genezen van leukemie? Zou ik nog terugkeren? Het werd een stille rit tot in Kalmthout.

De dokter bevestigde de vrees … leukemie, kanker … maar hoe kon dat toch? Ik was een gezonde, sportieve jongen van 21 jaar. Ik rookte niet, ik dronk niet, ik gebruikte nooit drugs, mama kookte elke dag lekker en vers eten. Waarom dan toch?

De dokter stelde me wel wat gerust … leukemie is goed te behandelen? Veel jonge mensen genezen ervan. Ik ga dit gevecht winnen! Daarvan was ik overtuigd. Ik wou nog niet sterven. Het was nog te vroeg, veel te vroeg, om de wereld te verlaten.

Ik moest wel naar een universitair ziekenhuis. Gent zou voor de behandeling van leukemie het beste hospitaal zijn. Mijn ouders twijfelden geen seconde. We vertrokken meteen naar Gent, diezelfde nacht nog. Mama reed, papa was niet in staat. Hij was ziek van de schrik, hij wou me niet kwijt spelen. Het werd een helse rit van bijna 100 kilometer, een rit die mijn ouders , mijn broer en ikzelf jarenlang bijna dagelijks zouden ondernemen.

Gent … de reusachtige campus van het UZ … een stad op zich, maar ’s nachts een donkere, ongezellige en griezelige plek. Zeker als je de weg niet kent. Binnen langs de spoed, meteen nieuwe bloedproeven en enkele ogenblikken later het definitieve verdict … acute leukemie! Ik moest meteen blijven. Ik kwam terecht op de 9de verdieping van het UZ Gent, een verdieping die, jammer genoeg, mijn tweede thuis werd voor bijna vier jaar. De opvang was wel geweldig. Lieve verpleegsters, die zowel mij als mijn familie vriendelijk opvingen. Troost was echter niet voldoende … ik wou maar 1 ding, ik wou genezen en wel zo snel mogelijk.

De eerste dagen waren zeer zwaar. Ik was ongerust, er was nog geen duidelijkheid, was er kans op volledige genezing, hoe lang ging het allemaal duren, …? Ik kreeg medicatie en later chemotherapie. En ik vocht tegen de ziekte, ik vocht als een leeuw om te overwinnen. De ziekte zou me er niet onder krijgen!

Papa en mama kwamen alle dagen op bezoek. Uren zaten ze naast mijn bed, we keken televisie, we babbelden over de toekomst, we genoten van elkaars aanwezigheid. De dokters en de verpleegsters verzorgden me zoals een koning. Ik werd de lieveling van “het negende”, gewoon omdat ik nooit kloeg en iedereen met veel respect behandelde. Zelfs als de behandeling wat minder goed liep en pijnlijk was, bleef ik goed gehumeurd en vriendelijk. Ik stelde de dokter dan gerust en beurde iedereen rondom mij terug op. Ik genoot ervan om anderen blij te maken, te helpen, te ondersteunen, gerust te stellen … zelfs al was ik zelf bang en ongerust voor wat komen zou. Ik praatte vaak met de dokters en verpleegsters over de toekomst, maar ook over ideeën die ik had om het leven van bijvoorbeeld zieke kinderen (want die zag ik vaak in het ziekenhuis) toch wat aangenamer te maken.

Mijn vechtlust leverde weer mooie resultaten op! Na enkele weken, maanden ging het de goede richting uit. De ziekte leek overwonnen. Ik mocht naar huis, maar keerde wekelijks terug naar het UZ voor controles. Telkens weer met angst voor een negatieve uitslag. Maar het ging goed. De bloedwaarden schommelden nog, maar dat zou wel goed komen. Ik ben zo goed als genezen! Toch bleef ik voorzichtig, ik sloot me af van de buitenwereld. Alleen mijn ouders, broer en schoonzusje wou ik zien. Anderen vermeed ik, omdat ik bang was terug ziek te worden. Mijn sociaal leven stond op een laag pitje.

En zo werd het maart 2015.  

Twee jaar na het eerste bericht van mijn ziekte. Ik trok met mama weer naar Gent voor de zoveelste routinecontrole. Papa was aan het werk in Antwerpen. Na de bloedafname zaten mama en ik in de wachtkamer … zoals altijd … wachten … vol spanning … En dan kwam de dokter binnen. Ze keek erg bezorgd … ik zag meteen dat er iets was. Ik kende deze dokter erg goed, ik had een ongelooflijke band met haar. Ze had tranen in haar ogen! Dit was niet goed … de ziekte was terug … herval!

Ik belde naar papa met het trieste bericht. Hij kwam meteen ook naar Gent, samen met broer Jorn. Wat een dreun. De ganse familie zat in de put. Dit kan echt niet, dit mag gewoonweg niet! Ik kroop echter snel terug uit die put. Ik had de ziekte al een keer overwonnen. Dus waarom dan die tweede keer niet? Dat moet ook lukken.

De dokters kozen deze keer voor een gans andere behandeling. Immunotherapie, toen nog in onderzoeksfase in Amerika. De behandeling zou mijn lichaam minder uitputten, waardoor ik sterker zou blijven en de strijd tegen de ziekte gemakkelijker zou aankunnen. Ik moest ook sterker blijven, omdat men wou overgaan tot stamceltransplantatie. Via een gezonde donor zou de ziekte helemaal verdwijnen en zou ik terug gezond en wel het leven kunnen in stappen. Maar eerst moest ik nog doorheen het transplantatieproces. Een erg zwaar proces, dat mijn lichaam helemaal zou uitputten. Ik zou doorheen een diep dal gaan. Maar ik had er alles voor over om terug gezond te worden! Ik ging er dus weer voor, vol goede moed!

Eind juni 2015 was het zover. Men had een donor gevonden. Papa kwam vanuit Zeeland, waar hij een opleiding volgde, naar Gent om me bij te staan. Hij zat naast mijn bed, toen de stamcellen rustig inliepen. Een dokter en twee verpleegsters hielden alles nauwgezet in de gaten. Transplantatie is immers geen risicoloos proces. Ik wist dat, papa en mama niet. Gelukkig maar, zo was papa rustig en niet te bang. Ikzelf was wel bang, erg bang. Als mijn lichaam verkeerd reageerde, kon ik sterven. Maar dat wou ik niet! Ik wou alleen maar genezen. Dan maar grappen en grollen tegen de dokter, de verpleegsters en papa. Gewoon doen, niet bang lijken, sterk zijn!

Het transplantatieproces verliep probleemloos, gelukkig maar. De volgende dagen, weken, maanden verliepen volgens plan … ik ging door een diep dal, een erg diep dal. Ik was moe, kon bijna niet uit mijn bed, had geen honger, hoofdpijn, … Maar ik vocht terug, ik wou weinig tot geen hulp! Ik waste me nog zelf, aan de lavabo. Ik moest wel zitten op een stoeltje, staan lukte me niet meer. Maar ik bleef dapper en sterk. En zo kwam ik ook door deze strijd! Langzaamaan fleurde ik op, kreeg terug wat meer kleur en kracht en kon terug wandelen in de gang. Ik hoorde van de dokters dat de ziekte weg was en dat ik weer kon werken aan mijn herstel.

Mama en papa huurden een appartement aan zee, zodat ik daar rustig kon herstellen. Wat wandelen langs de dijk, wat genieten van de gezonde lucht. Ik begon terug plannen te maken. Misschien toch terug naar Spanje binnen enkele jaren? Ik was nog steeds welkom in Menorca, bij mijn vrienden daar. Of misschien gewoon hier blijven en iets opbouwen? Ik zou wel zien. Eerst helemaal herstellen en revalideren, dan de volgende stap.

Ondertussen bleef ik met mama (en soms met papa, vooral tijdens de schoolvakanties) naar de wekelijkse controles gaan in het UZ Gent. Telkens weer onderzoeken: bloedafnames, botpuncties, ruggenmergprikken. Niet leuk en vaak pijnlijk, maar ik onderging het zonder zeuren. Het was voor mijn gezondheid hé.

De dokters bleven zich toch wat zorgen maken. Mijn bloedwaarden bleven erg schommelen, ze herstelden zich te langzaam naar hun zin. Daarom kreeg ik regelmatig bloed en/of bloedplaatjes.  En dan kon ik er weer even tegen. Maar de ziekte was wel weg, daar trokken we ons aan op. Dat was voor ons het voornaamste.

Tijdens de kerstvakantie, in december 2015, trokken we met ons gezinnetje naar ons appartement aan zee. We gingen er nieuwjaar vieren en naar het vuurwerk kijken (van achter het glas hoor). Het werd erg gezellig en toen ik zo voor het raam stond te kijken en te genieten, pakte ik, voor het eerst na jaren, papa en mama stevig vast. Die knuffel deed zowel mij als hen zo’n deugd! Dit was de mooiste nieuwjaar aller tijden. Papa zei dat dit het mooiste geschenk was dat hij zich kon bedenken. Hij moest niets anders hebben! Zalig! De tranen rolden over onze wangen, tranen van geluk …

En zo ging het verder, week na week, maand na maand. Thuis begonnen we meer en meer normaal te leven. Er kwam al eens iemand op bezoek, we lachten terug meer, we genoten van elke seconde. Ons gezinnetje was terug compleet.

In juni 2016 trouwde Wendy, één van mijn nichtjes. Na lang twijfelen besloot ik om samen met papa en mama naar het feest te gaan. Het werd een reuzefeest! De ganse familie was er, ik praatte de ganse avond met iedereen, over het verleden, maar vooral over de toekomst. Ik genoot en papa en mama, die bekeken vanop een afstand, met tranen in de ogen. Tranen van geluk. Ons leven kon niet meer kapot nu!

Enkele weken later trokken papa, mama en ikzelf terug naar zee. Hier gingen we enkele weken genieten van het zonnetje en de gezonde lucht. Het zouden fantastische weken worden! Ik moest nog wel op controle naar Gent, maar vanuit Blankenberge was dat niet ver.

Tijdens een wandeling langs de haven, trokken papa en ikzelf naar een winkel waar ze jetski’s verkopen. Mijn droom! Na het bezoek en het bekijken van enkele folders en websites, trokken papa en ik naar een dealer in Maldegem, de dag nadien.  Ik zag er een prachtexemplaar. Papa ging meteen onderhandelen en ik kon een mooie prijs bekomen. Ik mocht van papa een optie op de machine nemen, want … de dag nadien moest ik op controle in Gent. Als de dokter dan groen licht geeft, kon ik de jetski vastleggen. Zo gezegd, zo gedaan! In de auto belde ik meteen naar broer Jorn. Ik was zo fier, ik zat te glunderen in de auto. Mijn zomervakantie 2016 kon niet meer stuk! Ik kon mijn grote droom waar maken. Papa steunde me er helemaal in. Ook hij was fier op mij.

De dag nadien trokken we naar Gent. Ik was er gerust in, ik voelde me goed. Hopelijk gaf de dokter groen licht voor de aankoop van mijn prachtmachine! Bloedafname, wachten en dan bij de dokter …

Wat deed ze raar. “De ziekte was niet terug”, dacht ze, “maar de bloedwaarden waren niet zo goed”. Nog wat bijkomende onderzoeken en vrijdag om 16 uur mochten we bellen voor de uitslag. En wat betreft mijn grote droom? Die mocht ik toch nog even opbergen, daarvoor was het nu nog te vroeg.

Papa was er het hart van in. “Wat een slag alweer voor onze jongste”, zei hij. Maar ik nam het goed op. “Kom op papa, dan is het voor volgend jaar hé. Misschien zijn er dan nog knappere machines te koop! Komt allemaal wel goed. Ik voel me prima, die bloedwaarden, dat komt wel in orde.” We reden terug naar Blankenberge …

Papa was niet te genieten de dagen nadien. Hij was bang, ongerust. Ik troostte hem met de woorden: “Het komt wel goed, poepa!”. Ik bleef lachen en plagen, mama bleef mee positief kijken. Ik was er gerust in.

Tot die vrijdag … We zaten allemaal samen in de living, toch wel met een bang hartje, te wachten tot het 16 uur was. Dan mocht ik bellen naar de dokter … Omstreeks 15.30 rinkelde echter mijn telefoon. De dokter! Ik nam op en ging meteen naar mijn kamer. Papa en mama wisten meteen dat er iets niet juist was. Waarom belde de dokter zelf? Mama kwam kijken in mijn kamertje, waar ik op bed zat te huilen … de ziekte was terug! Ik was ziek voor de derde keer! We moesten meteen naar Gent komen! Dat klonk niet goed. We waren er kapot van!

Het werd een helse rit naar Gent. Door een ongeval zaten alle wegen vol, er was geen doorkomen aan. Toch slaagde papa erin om juist op tijd in Gent aan te komen. Jorn en schoonzus Renée waren er al. We moesten even wachten in de wachtkamer op de 9de verdieping. Stil … bang … ongerust … verdrietig!

Twee dokters brachten dan het slechte nieuws. Voor een derde keer kanker … dat is nooit goed. Mijn lichaam was erg verzwakt. Dit zou fataal kunnen worden. Ik wist niet wat ik hoorde. Mama huilde zachtjes, papa zat te snikken, broer en Renée hadden de tranen in hun ogen en ik … ik keek verward voor me uit. Was dit het einde? Dit wou ik niet! Ik wou niet sterven. Ik werd kwaad, ik riep het uit …

De dokters raadden ons aan om naar huis te gaan en tijdens het weekend de familie uit te nodigen … Afscheid nemen? Neen !!!!!!! Dat wil ik niet! Ik ga vechten, ik ga overwinnen … ook deze derde keer!

Toch nodigden we de familie uit, zaterdag en zondag. Maar het werd geen afscheidsfeest, het werd een gezellig samenzijn, het werden leuke dagen, het werd de start van een nieuw begin!

Maandag ging ik terug naar het UZ, na eerst nog te zijn langs geweest bij bomma en bompa. “Het komt goed”, zei ik. “Je moet niet bang zijn!”.

In Gent werd ik opgewacht op “mijn” negende verdieping. Ik kreeg een kamer aan de kant van het stadion van de Buffalo’s. Dat had ik tijdens mijn ziekte helemaal zien opbouwen. De behandeling werd meteen opgestart en … na enkele weken had ik de ziekte alweer klein gekregen! Kanker weg en klaar voor revalidatie en herstel!

Ondertussen was ik meer en meer beginnen nadenken over acties ter ondersteuning van kankerpatiënten. Ik deelde deze ideeën met de dokters en het verplegend personeel. Ik wou iets betekenen voor anderen, mijn strijd moest een voorbeeld zijn voor mensen die ook tegen kanker moesten vechten!!

In de loop van september leerde ik Chelsea kennen. Zij maakte mijn leven compleet, ze maakte me zo gelukkig en fier. Ook voor mama en papa was het fantastisch om ons gelukkig en blij te zien. We waren terug vertrokken … dachten we toch …

Tijdens een onderzoek in oktober 2016 bleek ik echter een ontsteking te hebben. Ik moest in het ziekenhuis blijven voor een behandeling met antibiotica. Zou wel goed komen! Dinsdag werd er echter een klein zwart plekje op mijn hand vastgesteld … een schimmelinfectie blijkbaar. Woensdag belde ik naar mama, papa, Jorn, Renée en Chelsea met het volgende bericht … “De dokters vertelden me dat ik een schimmelinfectie heb, maar een zeldzame. De overlevingskansen zijn slechts 10 %”. Ik snikte het uit, ik was zo bang, ik wou niet sterven. Ons gezinnetje spoedde zich naar Gent: papa, mama, Jorn en Renée en Chelsea. Allemaal stonden ze bij mijn bed.

De dokters vertelden dat ze de schimmel gingen wegsnijden uit mijn hand (ondertussen was de plek al zo groot als een 2 euro-stuk). Ik was ervan overtuigd dat dit ook weer in orde ging komen. Ik wou niet dat de anderen bang en ongerust waren. Toen ik papa echter zag wenen, begon ik ook te snikken. Ik besefte dat papa angst had om me te verliezen, maar ikzelf was ook bang, bang om te sterven. Hier was ik niet klaar voor!

’s Avonds laat kwamen ze me nog halen om de schimmelplek weg te snijden. Een pijnlijke gebeurtenis. Om middernacht belde ik nog naar huis om papa en mama gerust te stellen. De schimmel was weg, we konden gerust gaan slapen.

De volgende dag kon ik echter bijna niet meer praten. Ik herkende mensen ook moeilijker, zelfs mijn eigen familie niet. Het zou wel van de verdoving en de medicatie zijn, dacht ik. Het ging echter steeds meer bergaf. Ik kon niet meer praten … Ik sliep bijna de ganse dag. Ik hoorde en voelde nog wel dat papa, mama, Jorn, Renée en Chelsea de ganse dagen bij mij bleven. Ze hielden mijn hand vast en zegden lieve woorden tegen mij. Ze vertelden hoeveel ze van me hielden. Ik ook van hen, maar ik kreeg het niet meer gezegd. Ik voelde de hoop bij iedereen, de hoop dat een wonder alsnog zou gebeuren en dat ik de ogen zou openen.

Op dinsdag 11 oktober 2016, om 4 uur ’s nachts kon ik niet meer. Ik heb dan de strijd moeten opgeven, de strijd tegen die verschrikkelijke leukemie. Ik weet zeker dat dit bij iedereen veel verdriet heeft veroorzaakt. Dat wou ik niet. Ik deed mijn best, echt waar. Maar de ziekte was te sterk. Ik ben blij dat mijn familie bij me was toen ik voorgoed insliep. Omringd zijn door al wie je lief heeft, wat kan je nog meer willen …

Ik hou van jullie … Dikke kussen … Nils.

Tijdens de uitvaart, een week nadien, zijn ongeveer 600 mensen een laatste groet komen brengen aan onze superheld. Wat deed het deugd te zien hoeveel mensen Nils lief hadden, hoeveel mensen naar onze jongen opkeken. Op dat ogenblik hebben we ook beslist om iets terug te doen voor de maatschappij. We kunnen niet anders dan de ideeën van onze Nils te realiseren. Blij ook dat het UZ Gent, in name van professor Tessa Kerre, deze acties mee willen ondersteunen en verder willen uitbouwen.

En zo is de vzw “Supernils” ontstaan. Op die manier laten we Nils verder leven en kunnen we anderen een hart onder de riem steken.

 

1455total visits,2visits today