De geboorte van SuperNils

Auteur: Robert Scheltjens (copyright – niet gebruiken zonder voorafgaandelijke toestemming)

Tekeningen: Leona Koninckx (copyright – niet gebruiken zonder voorafgaandelijke toestemming)

Jorn is erg verdrietig …

2010 in de buurt van het mooie Genterhout. Jorn, een jongen van 10 jaar, loopt door het bos. Dit doet hij dagelijks. Jorn houdt van de natuur, hij kijkt graag naar de diertjes die vrolijk rondhuppelen tussen de struiken en de bloemen. Vandaag is Jorn echter zeer verdrietig. Hij zet zich neer op zijn lievelingsbankje, vlakbij de oude eik. Zijn hoofd rust in zijn handen en hij snikt …

Kabouter Stethoscopos gaat Jorn helpen …

Plots komt er een zeer klein mannetje uit de struiken. Voorzichtig komt het ventje dichterbij. Hij klautert op de bank en gaat stilletjes naast Jorn zitten. “Waarom ben je zo verdrietig?”, vraagt hij. Jorn schrikt en kijkt in het rond. “Wie praat daar?” “Ik”, zegt het kleine mannetje met de witte puntmuts en de groene kleertjes. Jorn kijkt rond, maar hij ziet het ventje naast hem niet. “Hier ben ik”, roept de kabouterman nu luid. “Ik zit naast je op de bank.” Jorn kijkt naar beneden en ziet het lieve kaboutertje. “Een … kabouter …” stamelt hij. “Bestaan jullie dan echt?” “Tuurlijk”, zegt het ventje. “Dat zie je toch!” “Wie ben je dan?”, vraagt Jorn. “Ik ben één van de kabouterdokters, ik ben Stethoscopos. Wij wonen een beetje dieper in het bos, in het mooie kabouterdorpje Doktoria. Waarom huil je?” “Mijn broertje … mijn broertje Nils … is erg ziek”, huilt Jorn. “De dokters zeggen dat hij kanker heeft en dat hij zeer moeilijk zal genezen. Maar ik wil mijn lieve broertje niet kwijt. Ik zie hem graag en wil nog zoveel dingen samen met hem beleven.” “Je moet niet triestig zijn”, zegt Stethoscopos. “Ik denk dat onze kabouterbaas je kan helpen.” “Kom, volg me maar naar Doktoria. Je moet wel voorzichtig stappen en goed uitkijken, zodat je niet op onze huisjes trapt.” Jorn volgt Stethoscopos, dwars door het bos.

Welkom in Doktoria …

Na 5 minuten bereiken ze Doktoria al. Jorn kijkt zijn ogen uit. Hij ziet allemaal kleine paddestoelen, allemaal in verschillende kleuren en met grote witte stippen. Overal lopen kleine mannetjes rond. Ze dragen allemaal dezelfde groene kleren en een witte muts. Ze lijken allemaal op Stethoscopos. “Dit zijn mijn broertjes”, zegt Stethoscopos. We zijn allemaal kabouterdokters. “Kijk, daar is onze grote kabouterbaas. Die daar met de rode muts. Kom, ik stel je even voor aan hem.” Samen lopen ze naar de kabouterbaas, die in een grote pot staat te roeren met een houten lepel. “Kabouterbaas Professoros, dit is Jorn”, zegt Stethoscopos luid. Professoros draait zich om en schrikt erg. “Een m m m mensenkind”, … stottert hij. “Wel duizend spuiten en prikken, waarom breng je dit mensenkind mee naar ons dorp, Stehoscopos? Dat is levensgevaarlijk! Dat weet je toch?” “Sorry Professoros, maar Jorn is zo verdrietig. Zijn broertje Nils is heel ziek en de mensendokters denken dat ze hem niet kunnen genezen. Daarom dacht ik dat wij iets konden doen …”

Professoros maakt toverdrank in een grote ketel …

Professoros dacht diep na … Het was muisstil in Doktoria. Iedereen keek naar de hoofdkabouter … “Help me alsjeblief”, zei Jorn. “Ik hou zoveel van mijn broertje. Ik wil hem niet kwijt.” Na enkele minuten keek Professoros op … Hij keek even rond en roerde nog even in de grote ketel. “Dit … is de oplossing”, zei hij stil. “Deze toverdrank kan jouw broertje helpen”. “Hoe dan?” vroeg Jorn. “Wij drinken elke dag een slok van deze soep”, antwoordde kabouterbaas Professoros. “Daardoor blijven wij gezond. Niemand van ons is al ziek geweest. We voelen ons sterk en krachtig. Volgens mij kan deze drank ook Nils helpen … Alleen …” “Wat alleen?”, zei Jorn. “We moeten deze drank bij Nils krijgen. Maar hoe gaan we dat doen?” “Dat is simpel”, antwoordde Jorn. “Ik neem een flesje mee en geef het aan mijn broertje”. Kabouterbaas Professoros knikte langzaam met zijn hoofd … “Neen jongen, zo eenvoudig is het niet. Het drankje moet door iemand van Doktoria worden gegeven. We moeten immers kunnen nakijken of Nils goed reageert op het toverdrankje. We hebben het nog nooit gebruikt bij grote mensen. Het is dus niet zonder risico”. “Dan ga je toch gewoon met mij mee. Ik stop je in mijn binnenzak”. “Te gevaarlijk!”, zei Professoros. “Er moet een andere oplossing zijn …” Professoros wandelde rond in het dorp. Hij dacht diep na … Plots riep hij luid: “Dat is het!!!! Stethoscopos, Prikkebeen, Pillemans en Siropos … ga terug naar het bos en breng volgende zaken voor me mee: een dozijn rode miertjes, twee blaadjes munt, paardebloemstengels en 20 zonnebloemblaadjes.” “Wat ga je daarmee doen, Professoros?” vroeg Siropos. “Dat zal je wel zien. Geen tijd te verliezen! We gaan Nils genezen! Haal snel de ingrediënten.“

Professoros maakt een speciaal mengsel …

De 4 kabouterdokters holden naar het bos. Jorn bleef rustig zitten tussen de paddestoelen van het dorp. Hij was nog steeds verdrietig, maar hij kreeg al wel wat meer hoop, hoop dat Nils terug zou genezen. Na een kwartier kwamen de 4 kleine vriendjes terug uit het bos. Elk van hen had een zakje bij met de gevraagde materialen. Professoros nam ze mee in zijn grote paddenstoel. Daar mengde hij alle zaken door elkaar in een stenen mengkom. Hij plette alles fijn en deed er wat watervaldruppels bij. Hij had altijd een potje met watervaldruppels in huis. Nu kwamen ze echt van pas. Na enkele minuten was het mengsel klaar. Professoros bracht het mee naar buiten en zette de kom op de grond, net buiten het kabouterdorp. Hij riep zijn kaboutervrienden bij elkaar. “Iedereen moet meedoen”, zei hij. “Alleen zo kan het lukken. Ik deed dit nog nooit, maar ik las erover in het grote toverboek van mijn oma. Het moet lukken. … Ik heb een vrijwillige kabouter nodig. Wie wil Jorn helpen?” De kabouters keken met bange oogjes in het rond. Wie van hen zou naar de grote mensenwereld gaan? Niemand was bereid om deze gevaarlijke opdracht zomaar op te nemen. Stethoscopos keek naar Jorn. Hij zag de natte ogen van de brave jongen, hij zag de angst en de wanhoop op zijn gezicht. “Ik wil het doen …” fluisterde hij. “Ik wil Jorn en Nils helpen”. Jorn danste in het rond. “Dankjewel”, riep hij luidkeels. “Je kent de risico’s Stethoscopos …”, zei Professoros. “Ja, baas”, antwoordde de dappere kleine vriend. “Laat ons er maar aan beginnen”. “Zo dadelijk moeten alle kabouters rond de grote mengschaal dansen. Ondertussen moet Stehoscopos het mengsel uit de pot opeten. We mogen niet stoppen met dansen. Al duurt het meer dan een uur. We moeten volhouden!”

SuperNils wordt geboren …

De kleine mannetjes begonnen te dansen. Ze dansten alsof hun leven ervan af hing. Ondertussen peuzelde Stehoscopos het mengsel op. Het smaakte vies, maar de dappere kabouter smikkelde verder. En de anderen dansten, ze dansten en ze bleven dansen. Jorn stond een beetje verder te kijken naar het schouwspel. Het was toch een beetje griezelig, vond hij. Na een uur dansen, was er nog niets gebeurd. Jorn begon te twijfelen … Zou het echt lukken? Zouden deze kleine vriendjes zijn broertje kunnen helpen? Nog een kwartier … en dan … kabouter Stethoscopos begon te kronkelen … zijn lichaam begon te groeien, te groeien, te groeien. Hij werd groter dan Jorn. Hij kreeg een groot hoofd, met een mooie helm en een oranje bril. Zijn groen pakje veranderde in een heus astronautenpak, vol glitter en een stoere riem. Op het pak stond in grote letters … SUPERNILS. Jorn begon te springen van vreugde. Deze SuperNils zou zijn broertje zeker kunnen helpen. Hij danste rond in het kabouterdorp. Hij bedankte de kabouterbaas voor zijn hulp. “Graag gedaan”, zei Professoros. “Ga nu maar snel naar je broertje.” De grote SuperNils nam enkele flesjes van de toverdrank mee in zijn grote zakken.

Nils drinkt van de toverdrank …

En dan vertrokken ze, de kleine Jorn en de grote SuperNils. Ze liepen door het bos en kwamen zo terug in het dorpje waar Jorn en Nils woonden. Het was stil in Genterhout. De meeste mensen zaten voor de televisie en keken naar Familie. Jorn en SuperNils slopen zachtjes rond het huis. Mama en papa zaten voor de televisie in de zetel. Jorn opende de achterdeur, heel zachtjes … “Jorn, ben je terug van je wandeling?”, riep mama plots. Jorn schrok, SuperNils dook weg achter de struiken in de tuin. “Ja mama, ik ben terug”, riep Jorn snel. “Ik ga meteen naar bed, want ik ben moe en morgen moet ik terug naar school.” “Dat is goed jongen”, riep mama terug. “Vergeet je tanden niet te poetsen!”. “Slaap lekker jongen”, hoorde hij papa nog zeggen, vooraleer hij snel de trap op liep … met SuperNils achter hem aan. Boven gingen ze de kamer van Nils binnen. Broer lag rustig te slapen. Hij zag bleek en was erg mager geworden. Dat is normaal volgens de dokters. Het komt door de medicijnen. “Broertje, … broertje … wakker worden. Kijk eens wie ik heb meegebracht.” Nils opende de ogen en zijn mond viel open van verbazing. “W…w…wie is dat?”, vroeg hij stil. “Dat is mijn nieuwe vriend, SuperNils. Hij heeft een drankje dat je gaat genezen.” “Echt waar?” vroeg Nils met open mond. “Ja jongen, het is echt waar”, zei SuperNils vrolijk. “Met dit drankje ben je binnen enkele dagen weer helemaal genezen en kan je opnieuw met Jorn ravotten in het bos.” “Kan het echt geen kwaad”, vroeg Nils toch met bange stem. “Neen hoor”, zei Jorn. “De kabouterbaas heeft het ook gezegd, en hij kan het weten.” “Kabouters?” Nils keek met grote ogen. “Bestaan die dan echt?” “Ja, broer. Ze wonen diep in het bos. Maar drink het flesje nu maar leeg. Dan gaan we binnenkort samen op bezoek bij hen.” Nils dronk het flesje leeg. Het smaakte lekker, naar sinaasappel en limoen, met een beetje munt. Daarna viel hij terug in een diepe slaap. SuperNils kroop door het raam weer naar buiten. Hij ging zich verstoppen in de tuin, achter het tuinhuisje. Zo kon hij regelmatig naar Nils gaan kijken, zonder zelf gezien te worden vanop de straat. En Jorn, die kroop ongeduldig in zijn bed. … Morgen is er weer een dag! De volgende ochtend was Jorn al vroeg wakker. Hij ging naar broer Nils. “En … voel je je al wat beter?” Nils keek rond in de kamer. Zijn ogen waren nog dof en mat. Veel kracht leek hij nog niet te hebben. Maar ja, Professoros had gezegd dat het wel even kon duren. Blijven hopen dan maar. Maar waar was SuperNils? Jorn keek door het raam. Hij zag SuperNils achter het tuinhuisje staan. Hij wuifde naar Jorn. Alles verliep naar wens. Jorn vertrok blijgezind naar school. Het zou terug goed komen met zijn lieve broertje!

Nils is genezen !

Toen hij om 4 uur terug thuis kwam, liep hij snel naar de kamer van Nils. Mama en papa waren nog niet thuis. Ze moesten nog werken tot 5 uur. SuperNils was ook in de kamer. Hij gaf Nils net een tweede flesje van de toverdrank. “Is mijn broer nog niet genezen?” vroeg Jorn ongeduldig. “Neen”, zei SuperNils. Maar zo vlug gaat het ook weer niet. We zullen nog wat moeten afwachten. Het werd een lange avond … maar er veranderde niet veel. Om 9 uur ging Jorn dan maar slapen. Triestig en bang. Zou het wel lukken? Zou Nils ooit terug gezond kunnen worden? Om 7 uur maakten de zonnestralen Jorn wakker. Hij wipte uit zijn bed. Het was zaterdag en hij moest dus niet naar school. Hij huppelde naar de kamer van Nils en deed de deur zachtjes open. SuperNils was er ook. Hij lachtte en stak zijn duim in de lucht. Het drankje leek te werken. Nils zat recht in zijn bed. “Ik voel me veel beter”, zei hij lachend. “Ga mama en papa maar halen”, zei SuperNils. “Dan kunnen jullie naar het ziekenhuis om alles te laten nakijken. Ik ga terug in de tuin, me nog even verstoppen voor je ouders.” SuperNils kroop terug door het raam naar buiten en Jorn stoof naar de kamer van mama en papa. “Mama, papa, kom snel! Nils voelt zich veel beter. Ik denk dat hij genezen is!” “Maar malle jongen toch”, zei papa, “dat kan toch niet. Je weet dat Nilske niet meer kan genezen.” “En toch is het zo”, ratelde Jorn. “Kom maar mee naar zijn kamer … snel!” Mama en papa gingen mee kijken. En wat zagen ze? … Nils stond helemaal aangekleed in de kamer. Hij huppelde in het rond. “Kom”, zei hij, “we gaan naar het ziekenhuis. Ik ben genezen!” Zo gezegd, zo gedaan. De familie vertrok snel naar het hospitaal. De dokters stonden daar voor een raadsel. Allerlei onderzoeken wezen inderdaad uit dat Nils genezen was. De verwarde kankercellen waren verdwenen uit zijn lichaam. Nils was zo gezond als een vis.  Mama en papa huilden van geluk. Jorn danste in het rond, samen met zijn broertje. “Hoi broer”, gilde Nils luid. “Ik voel me prima! “Dit is een wonder”, huilde mama. “Dit is gewoon ondenkbaar”, zuchtte papa. Jorn en Nils keken naar elkaar. Zij wisten waardoor Nils terug gezond geworden was. Maar ze konden niets vertellen. Ze mochten SuperNils en de kabouters niet verraden. Terug thuis was het feest! Groot feest. SuperNils was weg. Hij zat niet meer in de tuin. Hij was terug naar het kabouterdorp. Missie volbracht.

SuperNils helpt in het ziekenhuis …

En SuperNils? En de kabouterdokters uit het bos? Ook die waren superblij met het nieuws. Jorn en Nils gingen nog regelmatig op bezoek bij hen. Ze speelden dan kabouterspelletjes en dronken kabouterlimonade. Omdat het geneesmiddel zo goed werkte bij Nilske, is SuperNils er toch mee naar de mensendokters gegaan. En nu komt onze grote vriend regelmatig in de ziekenhuizen om kindjes en andere mensen te genezen met de lekkere toverdrank. Het lukt niet altijd, maar in de meeste gevallen genezen de mensen toch. De dokters zijn wat blij met SuperNils en het geheime recept. Bovendien  brengt SuperNils één keer per jaar mooie cadeautjes mee. SuperNils is de held van de ziekenhuizen. Hij maakt iedereen blij en gelukkig.

230total visits,1visits today